In de praktijk zien we dat starters vaak relatief veel foto's maken, zonder een duidelijke selectie op het moment van fotograferen zelf. Alles waar ons oog op valt lijkt interessant genoeg om vast te leggen. Dit resulteert in een grote hoeveelheid beelden, maar weinig foto's die echt ergens over gaan. Dit draait allemaal om het maken van keuzes vóór het afdrukken, maar hoe weet je van tevoren wat een interessante foto wordt?
Waarom alles fotograferen niet werkt
Wanneer je net begint met fotografie is alles nieuw. Je gaat op pad met je camera, met de intentie om foto's te maken, en je ziet ineens dingen die je eerder nooit waren opgevallen. Dat wil je vastleggen. Een heel logisch fenomeen, maar het zorgt er ook snel voor dat je weinig onderscheid gaat maken.
Je zult al snel alles fotograferen wat wellicht interessant kan zijn. Maar wanneer alles een foto waard is, kun je eigenlijk ook zeggen dat niets dat echt is.
Daarnaast zorgt dit er ook niet voor dat je veel vooruitgang maakt. Wanneer je alles fotografeert wat je ziet, train je jezelf en je oog namelijk niet om keuzes te maken. Je reageert vooral op wat je ziet, in plaats van dat je bewust bepaalt wat echt interessant genoeg is. Juist door bewuster te fotograferen ga je dat verschil maken.
Begin met één duidelijk onderwerp
De eerste keuze die je bij bijna alle foto's wilt maken, is het onderwerp: waar gaat deze foto over? Wanneer dit niet duidelijk is, voelt een foto al snel rommelig en oninteressant. Niet alleen voor jou als maker, maar zeker ook voor de kijker, die dan niet weet waar hij naar moet kijken.
Probeer daarom altijd, voordat je een foto maakt, te bepalen wat het onderwerp in de scène is die je wilt vastleggen. Dit kunnen hele simpele dingen zijn, zoals een persoon of een vorm. Maar ook abstractere elementen kunnen je onderwerp vormen, zoals licht dat op een object valt of een contrast.
Het gaat erom dat je onderwerp, hoe abstract ook, in één oogopslag duidelijk is voor de kijker. Alles wat niet bijdraagt aan het versterken van dat onderwerp, hoef je in principe niet in beeld te hebben. Dat is een belangrijk onderdeel van bewuster fotograferen.
Een logisch gevolg van een duidelijk onderwerp, is dat je ook moet bepalen wat je juist weglaat.
Bewuster fotograferen: wat laat je bewust weg?
Gesproken over dingen juist niet in beeld te hebben: fotografie gaat natuurlijk om het vastleggen van dingen, maar ook om wat je niet vastlegt. Starters proberen vaak zoveel mogelijk elementen in één beeld te stoppen. Hoe meer elementen een foto heeft, hoe meer informatie die overbrengt — althans, dat is wat vaak wordt gedacht.
Het toevoegen van steeds meer elementen werkt echter meestal averechts. Je beeld wordt snel rommelig en niemand weet nog waar hij naar moet kijken.
Vraag jezelf daarom altijd af: wat voegt iets toe aan deze foto en wat leidt af?
Dit hoef je niet alleen bij je eigen foto's te doen. Het kan ook een goede oefening zijn wanneer je naar andermans werk kijkt, bijvoorbeeld in een museum of een fotoboek. Door bewust dingen uit je kader te houden en te herkennen wat wel en niet bijdraagt, worden je beelden sterker. Zo leer je stap voor stap bewuster te fotograferen.
Naast wat je in beeld houdt of weglaat, speelt ook je manier van kijken en werken een rol.
Stop met reageren, begin met kiezen
Veel foto's ontstaan in het begin vanuit een reactie: je ziet iets, haalt je camera omhoog en zonder verder na te denken druk je af. Dat is een goed begin, maar wanneer je beter wilt worden, moet je een stap verder gaan.
Je moet namelijk gaan kiezen in plaats van reageren. Dit betekent vaak dat je iets langer kijkt voordat je afdrukt, of zelfs voordat je je camera omhoog haalt.
Dat is ook hoe ik zelf werk. Ik kijk eerst en probeer het beeld voor me te zien, nog voordat ik mijn camera omhoog haal. Ik zie de scène en het beeld dat ik ongeveer wil hebben. Vervolgens doe ik een stap opzij, kijk vanuit een ander standpunt en let op wat er verandert in de scène.
Pas daarna gaat mijn camera omhoog en gebeurt dit proces eigenlijk nog een keer voordat ik daadwerkelijk afdruk.
Misschien ziet dit er voor jou anders uit. Misschien werk je met je camera al omhoog en maak je eerst een aantal testshots. Of misschien ken je je apparatuur zo goed dat je het grotendeels op gevoel doet. Hoe je het doet, maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Wat belangrijk is, is dat je controle neemt over je beeld — en dat begint met bewuster fotograferen.
De meest extreme vorm van kiezen, is besluiten om geen foto te maken.
Wanneer maak je géén foto?
Misschien wel een van de belangrijkste stappen is het besluit om een foto juist niet te maken. Want eerlijk is eerlijk: lang niet elke situatie hoeft een foto op te leveren.
Wanneer je niet helemaal tevreden bent met het beeld dat je voor ogen hebt, kun je natuurlijk alsnog afdrukken. Maar de kans is groot dat dit geen foto wordt waar je later blij mee bent.
Soms klopt het licht gewoonweg niet, is de compositie te druk of ontbreekt er een duidelijk onderwerp. Door op dat soort momenten juist te kiezen om niet af te drukken, houd je niet alleen meer ruimte over op je SD-kaart en harde schijf, maar train je ook je oog. Je leert namelijk herkennen wanneer iets niet werkt — en dus ook wat juist wel werkt.
Conclusie
Betere fotografie begint niet alleen bij instellingen, maar bij keuzes. Wat je wel en niet fotografeert bepaalt hoe je beeld er uiteindelijk uitziet, maar ook of je überhaupt sterke foto's maakt. Door bewuster te fotograferen, minder te reageren en vaker storende elementen weg te laten, maak je vrijwel direct betere foto's.